Integrale beplantingsmethode Ruyten, de voor- en nadelen.
17620
post-template-default,single,single-post,postid-17620,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,footer_responsive_adv,qode-content-sidebar-responsive,qode-theme-ver-12.0.1,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.4.2,vc_responsive

Integrale beplantingsmethode Ruyten, de voor- en nadelen.

Duurzaamheid staat tegenwoordig hoog in het vaandel bij (semi-)overheden voor het inrichten van de openbare ruimte. Een integrale aanpak is daarbij een belangrijk aspect waar nog vele kansen te behalen zijn. Het Ruyteninstituut heeft een duurzame manier voor het planten van bomen en heesters ontwikkeld waarbij wordt gekeken naar groeicurves en levenscyclus. In eerste opzicht een goed concept maar wat zijn nu daadwerkelijk de voor- en nadelen van de Integrale Beplantingsmethode?

Het ontstaan van een goed ogende en functionerende beplanting heeft tijd nodig. Tijd die wij, als maatschappij, beplantingen vaak niet willen gunnen. Het beeld dat een groenontwerper voor ogen heeft is voor een leek niet altijd voorstelbaar. Het resultaat kort na aanplant is dan ook vaak voor opdrachtgevers en belanghebbenden teleurstellend.

Voordelen
De aanplant van plantmateriaal op eindgrootte geldt als het belangrijkste uitgangspunt voor de Integrale Beplantingmethode Ruyten (IBR). Dankzij de situering op eindgrootte ontstaan transparantere beplantingen waarin de 3e laag, de kruidenlaag, zich kan ontwikkelen en een gevarieerde beplanting ontstaat. Variatie leidt op z’n beurt tot biodiversiteit. Daarnaast kan het transparante karakter van de beplanting gezien worden als bijkomend voordeel op het gebied van veiligheid.

De integrale beplantingsmethode is zowel toe te passen bij groot als klein plantmateriaal. Deze keuze is afhankelijk van de uitgangspunten die zijn gesteld. Met het gebruik van klein plantmateriaal zijn de aanschaf- en uitvoeringskosten weliswaar lager, de kosten van onderhoud zijn daarentegen hoger. Deze beplanting heeft namelijk meer begeleiding nodig.

Het voornaamste voordeel van het gebruik van groter plantmateriaal is de kwaliteit. De begeleiding van de beplanting heeft grotendeels plaatsgevonden op de kwekerij waar de kwaliteit van onderhoud in het algemeen beter is als op locatie. Daarnaast wordt er in een aanzienlijk korter tijdsbestek een beplanting gecreëerd die van grote waarde is. Niet alleen in esthetische zin maar zeker ook op het gebied van biodiversiteit. Door de situering op eindgrootte kan er aanzienlijk bezuinigd worden op de onderhoudskosten. Dunnen na een aantal jaren is niet nodig. Begeleidingssnoei enkel in het geval klein plantmateriaal. De onderhoudswerkzaamheden beperken zich veelal tot het selectief maaien van de kruidenlaag (een aantal keer per jaar). Over het lange termijn gekeken, in een periode van 6 tot 8 jaar, valt de integrale beplantingsmethode dan ook in de meeste gevallen goedkoper uit. Dat is natuurlijk altijd afhankelijk van de situatie en ontwerp uitgangspunten die zijn gesteld.

Knelpunten
De integrale beplantingsmethode richt zich voornamelijk op de 1e en 2e laag: de bomen en heesters. Bij de 3e laag: de kruidenlaag, wordt veelal uitgegaan van een ’kruidenrijke’, spontaan opkomende laag. Een kruidenrijke vegetatie is in de stedelijke omgeving niet altijd gewenst gezien het natuurlijke en ’rommelige’ karakter. In dat geval kan het inzaaien van een passend zaadmengsel een oplossing bieden om het geheel interessanter te maken.

‘Integraal’ betekent ook echt integraal. Belangrijk bij het slagen van een beplanting volgens de integrale beplantingsmethode is dan ook een integrale benadering. Een benadering waar tot op heden niet altijd gehoor aan wordt gegeven binnen (gemeentelijke) organisaties. Nog altijd wordt er te veel in hokjes gedacht en zijn aanleg en onderhoud budgetten van elkaar gescheiden.

Met de huidige bezuinigingen wordt er te veel op korte termijn gedacht en ligt de nadruk te sterk op het financiële aspect. Kwaliteit van de groene omgeving wordt niet meer als leidend principe gezien. Snoei werkzaamheden worden uitgesteld of er wordt drastisch ingegrepen om voorlopig van snoeiwerkzaamheden af te zijn. Van begeleidingssnoei is geen sprake meer. Bomen, maar zeker ook heesters en (blok)hagen worden nog maar eens in de zoveel tijd/ jaren rigoureus gesnoeid. De kwaliteit van het groen gaat daarmee sterk achteruit met als gevolg dat niemand zich meer met het groen wil identificeren of zich erom wil bekommeren. Deze manier van denken heeft zich sterk doorgezet in de aanleg en het onderhoud van groen. Voor aanleg van groen met nog hogere aanlegkosten is dan ook vaak geen gehoor. Pas wanneer gemeenten projecten op langere termijn kunnen en mogen bekijken kunnen de voordelen van de integrale beplantingsmethode
inzichtelijk worden gemaakt. Hierin voldoen zich steeds meer kansen waarbij wordt gezien dat de gemeenten de regie uit handen geven.

Van Groenkwaliteit naar groenkwantiteit
Het integraal denken binnen het groen is niet alleen van belang voor de integrale beplantingsmethode maar is van belang voor alle groenprojecten in de openbare ruimte. Maar al te vaak worden er groene invullingen bedacht en aangelegd waarbij nazorg ondergeschikt is. Beplantingen moeten zichzelf maar zien te redden. Na enige jaren mag dat ook verwacht worden maar kort na aanleg is nazorg het belangrijkste aandachtspunt bij het uiteindelijk bereiken van het beoogde beeld. Water geven in de eerste twee jaren
na aanplant is daarbij essentieel. Door nazorg te verwaarlozen gaat veel geld verloren. Het geld voor herstelingrepen, eindeloze inboet en proceskosten die aan de consequenties verbonden zijn kunnen beter gestoken worden in een passende planvorming en aanleg.
De nieuwe zomereiken (Quercus robur) langs de N261, de weg van Tilburg naar Waalwijk, zijn daar weer een prachtig voorbeeld zijn. Naar eigen inschatting is maar zo’n 30 tot 40% van alle aangeplante bomen aangeslagen. Niemand die zich er over verbaasd of zich erom bekommerd. In hoeverre zijn ontwerpers nog geïnteresseerd in nazorg of eindresultaat?

Moeten wij dit als (groen)ontwerpers laten gebeuren en accepteren? Een opdrachtgever zou toch ook niet akkoord gaan met straatwerk dat na de eerste en beste vorst kapot barst?

Tekst: Luc van Rossum

Bron afbeelding: innoVIRENS

Geen reactie's

Geef een reactie